Paul Diederen over het gebouw als een goede jas

Hij geeft al bijna twee jaar les op de faculteit bouwkunde van TU/e, maar op vrijdag 1 juni spreekt hij er zijn intreerede uit. Een gesprek daarom, met prof. ir. Paul Diederen, over waarom architectuur hem zo boeit. En over lesgeven. Maar ook over welke gebouwen best naar Eindhoven mogen komen.

Hij praat precies; zeer goed articulerend, met niet te ingewikkelde, soepel lopende volzinnen en steevast met een warm timbre. Als voor een animatiefilm ooit moet worden ingesproken door ‘een sympathieke man van middelbare leeftijd’, dan zou je hem kunnen bellen. Zoals hij spreekt, maakt hij ook architectuur: precies, helder en met oog voor detail. En dat laatste niet op een friemelige manier, maar juist in de zin van ‘minder is meer’. ,,Als een gebouw in één materiaal gebouwd kan worden, dan doen we er geen tweede bij”, is een kenmerkende uitspraak van hem.

Dommelstraat
Paul Diederen, van 1959, uit het Gelderse Didam, studeerde in 1986 af aan de universiteit waar hij nu lesgeeft, doceerde eerder al aan de academies voor bouwkunst in Rotterdam en Tilburg en is nu onder meer lid van de welstandscommissie in Rotterdam. Begon in 1986 een eigen architectenbureau en werkt sinds 2000 samen met Bert Dirrix in DiederenDirrix, gevestigd in de Dommelstraat, naast een Siciliaans restaurant en tegenover een eetcafé. En met inmiddels meer dan 35 man personeel in Eindhoven en het bureau in Rotterdam. De projecten van Diederen zijn onder meer de Victoria Court en Philips Lighting aan de Mathildelaan, de Lee Towers in Rotterdam en de transformatie van het TD Gebouw in het Anne Frank-plantsoen, dat langzaam verandert van een somber, gesloten ambtenarenbolwerk in een licht, uitnodigend appartementencomplex. ‘Transformatie’ is hier een sleutelbegrip, want het veranderen van bestaand vastgoed, dat is een kenmerk van DiederenDirrix en dus ook van Paul Diederen. Niet voor niets doceert hij op de TU/e ‘Transformational Design’.

Schaal
Hem de vraag voorleggen wat het beste gebouw is in Eindhoven, levert in beginsel De Bijenkorf op; ‘werkelijk een prachtig gebouw’, maar dan gaat het al rap een andere kant op: ,,Bijzonder aan Eindhoven is natuurlijk ook het verschil in schalen. De stad is gegroeid vanuit de zandruggen, vervolgens kwam er lintbebouwing met de kleine woningen en weer wat later is er Philips met de grote complexen. En het zijn diezelfde grote gebouwen die de stad nu weer nieuw leven geven, omdat ze heel goed getransformeerd kunnen worden.”

Diederen: ,,Ja, ook wel, maar niet in de mate zoals hier. In Eindhoven is het betekenisvoller. De stad heeft een heel eigen karakter en dat zit ‘m vooral in die verschillen tussen relatief kleine woonbebouwing, die tot ver in het centrum doordringt – denk aan het Philipsdorp – ten opzichte van de grote bebouwing, vooral veel Philipsgebouwen, óók in de stad.”

,,Het San Siro-stadion in Milaan. Daar ben ik ooit met mijn zoon naartoe geweest, dat geeft een gebouw gelijk een bepaalde emotie, maar ik vind het ook een heel goed gebouw. Je ziet tot in het kleinste detail hoe alles daaraan is ontworpen om het voetbal tot een fantastisch toneelspel te maken. In Nederland denk ik aan de watercentrale in Rotterdam van Wim Quist; een heel functioneel complex en tegelijkertijd heel poëtisch. En onlangs ben ik nog in de kerk in Mamelis, bij Vaals geweest; een bijzonder verstillend gebouw van Dom van der Laan – geweldig gemaakt.”

Poëzie
Gevraagd naar ‘zijn’ stijl, komt er snel antwoord: ,,Dat mensen er op een goede manier wonen of werken en dat bedoel ik niet alleen in functionele zin, maar ook qua beleving. Het gebouw moet voelen als een goede jas. Dat heeft te maken met de schaal en de hoogte van een gebouw, het licht, de gebruikte materialen. Maar ook de poëzie; hoe bijvoorbeeld het licht binnenvalt. Daarnaast moet het kloppen met de omgeving. Ik maak geen iconen, het zijn gebouwen die karaktervol zijn, maar zich ook voegen in de stad.” Hij maakt bij voorkeur geen iconen omdat die nadien geen andere dan die ene functie kunnen hebben, en ook daar komt ‘transformatie’ weer om de hoek kijken. ,,Gebouwen moeten duurzaam zijn, punt. En een gebouw moet mooi gemaakt zijn, op een rustige manier.” Diederen is niet voor niets een voorstander van de uitspraak ‘Less is more’, van architect Mies van der Rohe: ,,Klopt. Ik zeg ook altijd, ‘als het in één materiaal kan, dan doen we er geen tweede bij’.”

Voor hem hoeft het exterieur van een gebouw niet te vertellen wat er binnen gebeurt. ,,Nee, ik vind het zelfs interessanter als je een gebouw moet leren kennen, net als bij een mens. Het mag best een beetje geheimzinnig, mysterieus zijn. Een gebouw mag ontdekt worden.”

Mystiek
Jaloers is Diederen een beetje op de architectuur van onder anderen Dom van der Laan (1904-1991): ,,De kracht van zijn gebouwen, de mystiek ervan, terwijl het ook gewoon werkt als gebouw: zo eenvoudig en zo sterk. En de Amerikaanse architect Louis Kahn, ook een fenomeen. Zijn gebouwen zijn zo mooi, qua licht en qua beleving – bijna perfect.”

,,Ja, we staan weer op een keerpunt. Eerder was dat toen Philips naar Eindhoven kwam, later de TU. Nu voel je dat de stad weer toe is aan iets nieuws – ‘the big thing’.” Kansen ziet Diederen vooral in de binnenstad. ,,De Strijpen en de Spoorzone zijn vrijwel klaar. In het centrum kan er nog een flinke kwaliteitssprong worden gemaakt. Ik zou er voor willen waken om het helemaal vol te zetten. Ja, ik weet het; wij zijn er zelf ook bezig met een aantal projecten, maar in ieder geval moeten we de binnenstad niet teveel verdichten. Kijk naar het Witte Dorp of de wijk rond het Catharinakerkhof, dat zijn woongebieden met een enorme kwaliteit, dicht bij de Dommel en tegelijkertijd pal naast het centrum. Dat is bijzonder. Daaromheen moeten we niet allemaal torens gaan zetten – we moeten de openbare ruimte en het groen goed vorm blijven geven.”

Dus je bent het niet eens met je collega Winy Maas, supervisor binnenstad, die juist wél op bepaalde plekken in het centrum wil uitpakken, onder meer met fikse hoogbouw? Diederen: ,,We hebben al met Winy gepraat en wat hij doet, vind ik prima. Hij maakt doelbewust dingen los en dat is uitstekend, hij geeft nieuwe energie aan het proces hoe de stad zich kan ontwikkelen. Ik hoop alleen niet dat alles letterlijk gebeurt wat hij zegt.”

,,Dat je ziet dat de studenten iets oppikken; iets doen met je verhaal en daardoor zelf sterker worden.” Hij roemt de slimheid van de studenten, maar hij mist nogal eens de vaardigheid om te verbeelden bij studenten; ,,Dat moeten we nog meer stimuleren, want het klopt; verbeelden is een van de belangrijkste eigenschappen van een architect en dus moeten we daar meer aandacht aan schenken.”

,,Dat ik goed kan aangeven wat de sterke punten zijn van de student. Ik wil ze nooit zaken voorkauwen, dat is niet goed. Een student moet onderwezen worden in kennis en tegelijkertijd moet hem geleerd worden in de ontwerpmethodiek die hij of zij voor zichzelf het beste vindt. Dat kan ik vrij goed. Denk ik.”

Bron: ED