De ideale balans van 1960: na de armoede, en voor de overconsumptie

De eerste aflevering van de nostalgische tv-serie Toen was geluk heel gewoon speelt in 1959. En dat lijkt geen toeval.  Rond dat jaar was de kwaliteit van ons leven en de duurzaamheid van onze samenleving het meest in balans, blijkt uit een studie naar de geschiedenis van de duurzaamheid van Nederland, gedaan door onder meer de TU Eindhoven en de Rijksuniversiteit Groningen. Op 4 april presenteren de onderzoekers hun boek hierover, met de omineuze titel ‘De kwetsbare welvaart van Nederland’.

Dat onze maatschappij het niet goed doet qua duurzaamheid, is welbekend. Maar hoe zijn we in die situatie terecht gekomen? Om die vraag te beantwoorden namen de onderzoekers de periode vanaf 1850 tot 2010 onder de loep. Met als leidraad: het aantal kilotonnen van de belangrijkste grondstoffen die ons land jaarlijks gebruikte: voedsel, fossiele brandstoffen en bouwmaterialen. De keuze voor kilotonnen (1 kiloton is 1 miljoen kg) in plaats van guldens of euro’s was een zeer bewuste, vertelt onderzoeksleider Harry Lintsen, emeritus hoogleraar Techniekgeschiedenis van de TU Eindhoven. “Het gewicht laat veel beter zien wat voor beslag je echt doet op de aarde”, licht hij toe.

200 miljard kilogram
Dat beslag is gigantisch toegenomen, blijkt uit de cijfers die onderzoekers boven water kregen. De drie miljoen inwoners in het Nederland van 1850 verbruikten samen een kleine tienduizend kiloton; meer dan de helft daarvan was voedsel. 160 jaar later, in 2010, was het Nederlandse verbruik 37 keer zo hoog geworden: 362,000 kiloton. Het leeuwendeel daarvan betrof fossiele brandstoffen. We verstookten met zijn allen maar liefst 200,000 kiloton in 2010, ofwel 200 miljard kilogram.

Pauperisme
Overconsumptie was in 1850 dus nog geen vraagstuk. Wat wel hoog op de agenda stond, was ‘pauperisme’. 21 procent van de Nederlanders leefde in 1850 in bittere armoede, en dit werd gezien als een van de belangrijkste maatschappelijke problemen. “Er waren twee manieren om dit op te lossen”, vertelt Lintsen. “Herverdelen van inkomens, of het hele verdien-bouwwerk optillen, zodat iedereen meer zou gaan krijgen.” Het werd dat laatste, geholpen door economische groei.

Spierkracht
Rond 1950 was het doel bereikt: vrijwel iedereen had toegang tot voldoende eten, gezondheidszorg en huisvesting. Illustratief is dat spierkracht als energiebron in dat jaar voor het eerst onder de 1 procent uitkomt. Een opmerkelijke bevinding in het boek is dat de armoe werd verdreven zonder noemenswaardige sprong in consumptie. Lintsen: “Het knikpunt in de consumptiegrafiek, het beginpunt dus van de overconsumptie, ligt rond 1960. Maar toen was het armoedeprobleem al opgelost! Je zou kunnen zeggen dat de kwaliteit van leven en de duurzaamheid rond dat jaar meest in balans waren.”

Luchtkwaliteit
Die conclusie lijkt bevestigd te worden door een andere opmerkelijke grafiek in het boek. Lintsen en zijn collega-onderzoekers brachten voor de periode 1850-2010 ook 24 indicatoren in beeld die bepalend zijn voor welvaart in brede zin, zoals levensverwachting, kwaliteit van voeding en huisvesting, inkomensongelijkheid en luchtkwaliteit. De optelsom van die 24 indicatoren zetten ze uit tegen ons inkomen, het bruto binnenlands product per persoon. De grafieklijn van het inkomen volgt de lijn van de brede welvaart in de eerste honderd jaar na 1850 op een kleine afstand. Maar rond 1960 steekt het inkomen de welvaart voorbij. We verdienen en consumeren steeds meer, maar ons leven wordt er sindsdien niet meer echt beter op.

Vuilniszakken
De enige duurzame weg die we nu kunnen inslaan, is volgens Lintsen en zijn collega’s de overgang naar een volledig circulaire economie, waarin zo veel mogelijk grondstoffen hergebruikt worden. Lintsen: “Nederland is ontzettend rijk aan grondstoffen, maar het zit allemaal in vuilniszakken. Of in de bodem. Er ligt bijvoorbeeld genoeg fosfaat in de Nederlandse bodem.”

Afgesneden
Een punt van zorg van de onderzoekers is de toegenomen afhankelijkheid die Nederland heeft van het buitenland. “In 1850 kwam 13 procent van de grondstoffen uit het buitenland. Nu is dat circa 60 procent. Voor fossiele brandstoffen is dat percentage zelfs 69% en voor granen 80%”, vertelt Lintsen. Nederland investeerde in de eerste helft van de vorige eeuw juist om zelfvoorzienender te worden, in hoogovens, steenkolenmijnen en inpoldering, die gericht was op landbouw. “Met reden, want Nederland was wel vaker in de geschiedenis afgesneden van grondstoffenimport. Maar dat lijkt iedereen te zijn vergeten sinds de liberaliseringsgolf die eind 20ste eeuw begon.”

Het onderzoek werd mogelijk dankzij een subsidie van wetenschapsfinancier NWO. Naast Harry Lintsen werkten techniekhistoricus Frank Veraart (TU Eindhoven), hoogleraar Quantification of Sustainability Jan-Pieter Smits (TU Eindhoven, CBS) en hoogleraar Systeeminnovaties (Universiteit van Amsterdam) aan het boek. De belangrijkste bevindingen zijn ook terug te lezen op internet: www.kwetsbarewelvaart.nl