Grip op het meest optimale museumklimaat

Hoe bespaar je energie in een museum zodanig dat de collectie onaangetast blijft en het voor bezoekers aangenaam aanvoelt? Rick Kramer slaagde erin met zijn zelf ontworpen regeling voor het binnenklimaat van musea dat hij met succes testte in de Hermitage Amsterdam. Hij promoveerde gisteren cum laude op zijn werk aan de faculteit Bouwkunde.

Het binnenklimaat in een museum luistert nauwer dan de meeste mensen op het eerste gezicht denken. De collectie, zoals schilderijen of sculpturen, moet goed gepreserveerd blijven, dus temperatuur en vochtigheid moeten nauwelijks variëren. Tegelijkertijd moet het aangenaam zijn voor medewerkers en bezoekers om lange tijd in een museum te zijn, dus bijvoorbeeld voldoende verwarming in de winter en verkoeling in de zomer. 

Rekenkundig model

Het doel van Rick Kramer was om tot een klimaatregeling te komen in musea, waaronder monumentale gebouwen, waarbij het energieverbruik minimaal is zonder dat dit ten koste gaat van de preservering van collectie en gebouw of comfort van de bezoeker. Hij ontwikkelde een rekenkundig model dat aan de hand van allerlei variabelen, zoals temperatuur, vochtigheid of precieze bouw van het museum, het meest optimale binnenklimaat creëert en behoudt. 

63 procent energiebesparing

Vervolgens toetste hij zijn model in de praktijk in de Hermitage Amsterdam. Een jaar lang ondervroeg hij bezoekers (ruim 1100 in totaal) hoe aangenaam ze het binnenklimaat ervaren. Maar liefst 90 procent gaf aan het prettig te vinden, ofwel hooguit ‘een beetje koud’ of ‘een beetje warm’. Daarnaast bleek dat tot wel 63 procent energiebesparing mogelijk was zonder dat dit ten koste ging van collectie of bezoekerscomfort. 

Beste vijf procent

Kramer promoveerde gisteren cum laude op zijn proefschrift ‘Energy conservation in museums by optimizing climate control while preserving collection, building and thermal comfort’. Hij voerde zijn onderzoek uit aan de faculteit Bouwkunde, onder begeleiding van prof.dr.ir. Bert Blocken, dr.ir. Henk Schellen en dr.ir. Jos van Schijndel. Het gebeurt niet vaak dat promoties de eervolle vermelding ‘cum laude’ krijgen. Ongeveer vijf procent van alle proefschriften komt ervoor in aanmerking, ofwel zo’n tien tot vijftien per jaar.