1. De voorgeschiedenis van ESoE (periode tot 2006)

Ontstaan van de onderwijskunde aan de TU/e

Midden jaren 60 van de vorige eeuw groeit de instroom van studenten in het hoger onderwijs enorm. Termen als studieduurverkorting en rendement doen hun intrede in de universitaire wereld. Het dwingt tot aanpassingen en vernieuwingen van opleidingen. Mede hierdoor groeit in Nederland de interesse voor onderwijsonderzoek, gestimuleerd door het werk van A.D. de Groot, de grondlegger van onder meer het CITO. Ook ontwikkelt zich in die tijd uit de psychologie een specialisme dat de naam onderwijskunde zal krijgen. Dit specialisme zal zich later ontwikkelen tot een eigenstandig wetenschapsdomein, dat tegenwoordig luistert naar de naam onderwijswetenschappen.

De TU/e haakt hierop in op initiatief van de rector magnificus, prof. dr. K. Posthumus (Hulskamp, 2006, p. 322). In 1967 wordt dr. Willem Meuwese benoemd tot lector, later hoogleraar, met als opdracht de onderwijsresearch. De doelstelling van onderwijsresearch is optimalisering van het onderwijs, aldus Meuwese. Hij omschrijft dat als volgt: “Probleemstelling is steeds: hoe kunnen voor een gegeven subsysteem zodanige manipulaties worden verricht dat voor zo laag mogelijke kosten een zo groot mogelijk effect wordt bereikt?” (Meuwese, 1967, p. 6).  Zijn opvatting is dat met een beter ontwerp van onderwijs een grotere effectiviteit bereikt kan worden. De term onderwijs kan daarbij betrokken worden op de onderwijsorganisatie, het curriculum, maar ook op onderscheiden vakken daarbinnen of aspecten van een vak. Een benadering die goed past in een ingenieursomgeving.

TU/e en de lerarenopleiding

Onafhankelijk daarvan ontstaat omstreeks 1970 een beweging om de universitaire lerarenopleidingen meer professioneel in te richten. Tot dan toe omvatten de lerarenopleidingen aan de universiteiten niet veel meer dan het volgen van een college didactiek en pedagogiek met daarnaast een hospitium. Dat laatste is het bijwonen van de lessen van een ervaren leraar gedurende een korte periode, aan het eind waarvan de student zelf enkele lesdelen of zelfs enkele lessen verzorgt onder het toeziend oog van de ervaren leraar.

De lerarenopleiding aan de TU/e valt onder verantwoordelijkheid van lector, later prof. dr. Martin Groen die van 1970 tot 1990 aan de TU/e verbonden is met als opdracht de pedagogie, puberteitspsychologie en algemene didactiek. In zijn intreerede (Groen, 1971, p. 22) stelt hij dat het hoog tijd wordt ernst te maken met de leraarsopleiding. Dat is op dat moment zeker niet de algemene opvatting binnen de universitaire wereld. Die is eerder dat het lesgeven iets is wat je hebt of niet, een soort natuurlijke begaafdheid waaraan onderwijs weinig toe te voegen heeft. Groen verzet zich hiertegen, wat onder meer geïllustreerd wordt in het navolgende fragment uit zijn intreerede. “Sommige docenten mogen dan beschikken over een “natuurlijke begaafdheid” om te doceren, het is irreëel het onderwijssysteem aan deze enkelingen op te hangen. Het zou even absurd zijn de opleiding tot wiskundige of tot musicus te staken omdat we een aantal “natuurtalenten” kennen. Zonder studiebegeleiding komen deze natuurtalenten trouwens ook niet zo ver.” (Groen, 1971, p. 22).     

Desondanks ontwikkelt de universitaire lerarenopleidingen zich erg geleidelijk, niet alleen gehinderd door twijfel aan de wenselijkheid of aan de noodzakelijkheid ervan bij vele bestuurders, maar ook door opeenvolgende bezuinigingen die met name in de eerste helft van de jaren 80 spelen. Denk aan operaties TVC (een bezuiniging onder de naam ‘Taakverdeling en concentratie’) in 1982 en SKG (een bezuiniging onder de naam ‘Selectieve krimp en groei’) in 1986. Tegen het eind van de jaren 80 is de universitaire lerarenopleiding uitgegroeid tot een opleiding met een omvang van een volledig jaar. De belangstelling voor de lerarenopleiding onder de studenten blijft echter beperkt. Over het algemeen leidt de verzwaring van de opleiding zelfs tot een afname van de deelname.

Gescheiden werelden

Aan de TU/e blijven lerarenopleiding en onderwijsresearch gescheiden. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Technische Universiteit Delft, waar midden jaren 80 onderwijsresearch bij de universitaire lerarenopleiding wordt gevoegd en tevens gekoppeld wordt aan het leveren van ondersteuning bij onderwijsinnovaties ten behoeve van de eigen instelling. Het combineren van lerarenopleiding en onderwijsresearch met ondersteuning van onderwijsvernieuwingen in één organisatorische eenheid versterkt de positie van deze activiteiten binnen de instelling, die immers elk van bescheiden omvang zijn en niet tot de core business van een technische universiteit behoren.

Meuwese gaat in 1990 met emeritaat en wordt opgevolgd door prof. dr. Wim Vaags. Groen gaat eveneens dat jaar met emeritaat, maar er wordt geen nieuwe hoogleraar voor de lerarenopleiding aangesteld. Wel wordt in zijn plaats dr. Johan van der Sanden, destijds werkzaam als universitair hoofddocent aan wat nu de Universiteit van Tilburg heet, deeltijds aangetrokken ten behoeve van de lerarenopleiding aan de TU/e.  

Vormgeving van de TULO

Rond 1990 komen de kleinere universitaire lerarenopleidingen, waaronder die van de technische universiteiten, onder grote druk te staan. Het zou niet efficiënt zijn om deze te laten voortbestaan, gelet op het bescheiden aantal leraren dat zij jaarlijks opleiden. De zes grote, algemene universiteiten claimen dat het daarom zowel om redenen van efficiency als van kwaliteit beter zou zijn de universitaire lerarenopleidingen bij hen te concentreren. Onder deze druk besluiten de technische universiteiten tot verregaande samenwerking in de vorm van de TULO, de technische universitaire lerarenopleidingen. Hierin participeert dr. Johan van der Sanden namens de TU/e – hij wordt in 1997 tot hoogleraar benoemd -, prof. dr. Sanne Dijkstra  namens de Universiteit Twente en prof. dr. Wim Jochems namens de Technische Universiteit Delft. Johan van der Sande is deeltijdhoogleraar en heeft daarnaast een aanstelling bij Fontys waar hij later tot lector wordt benoemd. De samenwerking in de TULO beoogt naast het vormen van een front ten opzichte van de grote universiteiten zeker ook het uitwisselen van instructiemateriaal, van begeleidings- en beoordelingsinstrumenten, van expertise en het uitwisselen van studenten als die in de buurt van een andere technische universiteit een schoolstage doorlopen. Daarnaast wil de TULO zich sterk maken voor het vergroten van het aantal ingenieurs dat werkzaam is in het voortgezet onderwijs (Van der Sanden, 1997, p. 35).

Magere jaren

Rond de eeuwwisseling is de onderwijsresearch aan de TU/e grotendeels opgedroogd, onder meer als gevolg van bezuinigingen en het niet herbezetten van de leerstoel onderwijsresearch. Er resteert wel een kleine universitaire lerarenopleiding in TULO-verband, waaraan op zeer beperkte schaal onderzoek is gekoppeld. Maar dat richt zich in toenemende mate op het beroepsonderwijs en heeft weinig binding meer met de onderwijsresearch zoals bedoeld door Meuwese.

Ook de lerarenopleiding raakt enigszins in de problemen, zoals bij de visitatie van 2002 wordt geconstateerd. Gewezen wordt onder meer op de zwakke organisatie, verdeeld over meerdere faculteiten, op de geringe kritische massa, deels verband houdend met de beperkte instroom van studenten, te beperkte stafomvang en op de geringe onderzoekcapaciteit, met name voor de vakdidactici.

Deze problemen zijn aanleiding tot het zoeken naar mogelijkheden tot samenwerking tussen TU/e en Fontys op het gebied van lerarenopleidingen. De verkenning die wordt uitgevoerd beoogt het ‘ritsen’ van de eerstegraadslerarenopleidingen van TU/e en Fontys tot een nieuwe masteropleiding Science Education zoals de Cursor het in een artikel op 23 december 2004 omschrijft. De ambitie is ‘een aantrekkelijke eerstegraads lerarenopleiding’ op te zetten waarna de bestaande eerstegraads opleidingen zullen worden opgeheven’, aldus de Cursor. De verkenning  richt zich in eerste instantie op de inhoud van de opleidingen, waarbij met name wordt geanalyseerd wat studenten van Fontys aan vakinhoudelijke kennis zouden moeten bijspijkeren om te kunnen instromen in een academisch MSc-programma. Naast de nieuwe opleiding wordt ook gedacht aan een onderzoeksprogrammaEn tot slot meldt de cursor: ‘Het is de bedoeling dat er een nieuwe, lichte organisatie komt, met één directeur’. Informeel worden kandidaten voor deze positie gepolst, maar dat levert vooralsnog niets op.

Klik hier om verder te lezen over de start van ESoE