2. De start van ESoE (2006-2008)

Intensieve samenwerking

In april 2005 verschijnt een paginagrote advertentie waarin Fontys promovendi werft. Dat vergroot de druk tot samenwerking bij Fontys, want het roept de vraag op hoe te voorzien in adequate ondersteuning, scholing en begeleiding van deze nieuwe onderzoekers, waarvoor bij Fontys de expertise goeddeels ontbreekt. Op initiatief van Jan Houben, lid van de Raad van Bestuur van Fontys, en Hans Niemantsverdriet, destijds decaan van de Faculteit Scheikundige Technologie waaronder de TULO valt, wordt, in samenspraak met de rector magnificus, prof. dr. ir. Hans van Duijn, onderzocht of de eerder beoogde samenwerking niet kan worden verbreed.

In het najaar van 2005 wordt Wim Jochems, destijds hoogleraar-directeur van het Onderwijs-technologisch Expertise Centrum van de Open Universiteit, benaderd met het verzoek om te adviseren over de vraag hoe het onderzoek bij Fontys het best kan worden ingebed en vervolgens hoe dat te koppelen aan de TU/e, in het bijzonder de TULO. Eind november ligt er bij de CvB’s van TU/e en Fontys een voorstel voor de oprichting van een educatief instituut. Vervolgens wordt Jochems gevraagd daaraan ook leiding te geven. Het overlijden van Johan van der Sanden kort na kerst 2005 en de instroom van promovendi die begeleiding nodig hebben, brengen het proces in een stroomversnelling. Medio januari worden TU/e en Fontys het op hoofdlijnen eens over het oprichten van een gemeenschappelijk instituut. Vervolgens wordt Jochems benoemd tot hoogleraar-directeur van het nieuwe instituut, dat in maart 2006 de naam Eindhoven School of Education krijgt.

Oprichting ESoE

Het jaar 2006 staat vooral in het teken van het opzetten van het instituut, in juridische, financiële en organisatorische zin. Dat leidt in november 2006 tot de ondertekening van de overeenkomst tussen Fontys en TU/e, waarmee ESoE officieel een feit is (zie de foto). Daarnaast wordt een nieuwe educatieve master opgezet, die aanvankelijk vrijwel geheel moet leunen op de inbreng van de vakdidactici uit de deelnemende faculteiten. ESoE beschikt bij de start naast de hoogleraar-directeur over één wetenschappelijk medewerker, dr. Ruurd Taconis. Veel tijd gaat dan ook zitten in het aantrekken van medewerkers. Daarnaast wordt Theo Bergen, emeritus-hoogleraar van de Radboud

Universiteit, bereid gevonden om deeltijds als opleidingsdirecteur te assisteren bij het opzetten van de nieuwe master. Bij de start heeft ESoE 7 promovendi, gefinancierd door Fontys. Een onderzoekprogramma dat zowel TU/e als Fontys bedient, is er niet. Een eerste versie ervan wordt in het najaar van 2006 opgesteld en conform de NWO-procedures ter beoordeling voorgelegd aan twee externe hoogleraren. Op basis hiervan worden nieuwe promovendi aangetrokken, gefinancierd vanuit Fontys, NWO en het DUDOC-programma. In de loop van 2007 loopt het totale aantal promovendi op tot 15.

Bestuurlijke inbedding

Aanvankelijk wordt ESoE binnen de TU/e als een zelfstandige dienst gezien, bestuurd door een bestuursraad ESoE. De raad bestaat uit de rector magnificus van de TU/e, prof. dr. ir Hans van Duijn, de voormalige decaan van de faculteit Scheikundige Technologie, prof. dr. Hans Niemantsverdriet, en namens Fontys de voorzitter en een lid van de Raad van Bestuur, drs. Norbert Verbraak en dr. ir. Jan Houben. Aan hen legt de hoogleraar-directeur verantwoording af en zij stellen het onderzoek- en onderwijsprogramma, begroting en dergelijke vast.

Het inpassen van ESoE als dienst in de interne procedures van de TU/e blijkt problematisch. Een dienst kent immers geen hoogleraren en die kunnen dus ook niet op de TU/e-website worden opgenomen; een dienst verzorgt ook geen onderwijs en om het geld te krijgen dat met het verzorgen van vakken wordt verdiend, moeten die vakken een code krijgen die naar ESoE verwijst. Wat begon als een dienst wordt in de loop van het jaar formeel een instituut binnen een faculteit (Scheikundige Technologie).

Het aantrekken van nieuwe medewerkers blijkt erg veel tijd te vergen. De werving start al in juni 2006 met het opstellen van profielen en dergelijke, maar pas in 2007 treden nieuwe medewerkers aan; per 1 maart 2007 Perry den Brok, per 1 juli 2007 Douwe Beijaard en per 1 november 2007 Koeno Gravemeijer en Michiel van Eijck. Daarmee is de ‘harde kern’ van ESoE compleet.

Groei

Voor de buitenwereld wordt ESoE gepresenteerd bij een symposium ter gelegenheid van de intreerede van Jochems op 7 maart 2007 (Jochems, 2007). In zijn rede constateert hij een grote versnippering van onderwijs: onderzoek, lerarenopleiding en onderwijsinnovatie staan volledig los van elkaar, terwijl ze elkaar zouden kunnen versterken. Hij pleit voor een meer integrale benadering waarbij onderwijsinnovatie de leidraad zou moeten vormen en geeft aan dat dit een leidend principe voor ESoE zal zijn.

In januari 2008 gaat de educatieve minor van start. Deze minor is vooral bedoeld om bachelor studenten van de TU/e de mogelijkheid te bieden om zich te oriënteren op de lerarenopleiding, maar ook om aan studenten een verbreding te bieden van het doorgaans louter technische onderwijs aan de TU/e. In september 2008 gaat de nieuwe MSc opleiding “Science Education and Communication” van start, kortweg SEC genoemd, onder leiding van de opleidingsdirecteur Theo Bergen en onderwijscoördinator Luc Kuijk (Fontys). Er is veel aandacht voor een moderne invulling van het werkplekleren. Bovendien is er een nieuw onderdeel in de opleiding opgenomen, de zogenoemde bètadidactiek, waarin de bètavakken geïntegreerd en vanuit een moderne visie op onderwijs aan de orde komen. Het programma wordt in nauwe samenwerking met medewerkers van FLOT (Fontys Lerarenopleiding Tilburg) opgesteld en uitgevoerd.

In 2008 loopt het aantal promovendi op tot 32. Om de kwaliteit van het onderzoek te bevorderen wordt contact gelegd met prof. Detlev Leutner (universiteit van Duisburg – Essen) en prof. Jari Lavonen (universiteit van Helsinki) die voor promovendi van hun universiteiten op het gebied van science jaarlijks summer en winter schools organiseren. Dat leidt tot structurele samenwerking, wat onder meer inhoudt dat ESoE-promovendi voortaan aan deze “school” voor PhD’s deelnemen.

In 2008 wordt de inpassing van ESoE in de TU/e-organisatie afgerond (website, onderzoeksprogramma, verrekening van studiepunten, onderwijs- en examenreglement e.d.). Een hoofdstuk apart zijn de financiën, dit vooral omdat de afspraken rond de financiering van ESoE door Fontys en TU/e (die samen gelijkelijk ESoE financieren en besturen) moeten worden ingepast in het financiële model van de TU/e. Het principe is simpel: geld wordt toegewezen op basis van geleverde prestaties: gerealiseerde studiepunten en diploma’s en gerealiseerde promoties. Omdat betaling van de inspanning achteraf plaatsvindt, moeten TU/e en Fontys ESoE voorfinancieren.

Einde van de opstartfase

De startperiode van ESoE kan als afgesloten worden beschouwd in het voorjaar van 2010, wanneer de midterm review plaats vindt waartoe bij de start van ESoE was afgesproken. Een internationale commissie onder leiding van prof. dr. Friedrich Hesse is uitgesproken positief over wat ESoE in nog geen vier jaar heeft weten te bereiken. Naar de mening van de commissie is het onderzoek productief en van goede kwaliteit. Bovendien is het praktijkgericht en sluit het goed aan bij behoeften van de onderwijspraktijk. De MSc Science education, die afgelopen studiejaar zijn eerste volledige cyclus heeft doorlopen, is aan de maat, aldus de commissie, maar dient op enkele punten verbeterd en nog verder uitgewerkt te worden. Onder meer de versnippering van inzet en de beperkte betrokkenheid van vakdidactici bij onderzoek worden als zwakke punten gesignaleerd. Wat de innovatieactiviteiten betreft wordt gesuggereerd deze beter te integreren en te organiseren in relatie tot het onderwijs en het onderzoek. 

Klik hier om verder te lezen over de groei van ESoE