3. Naar een volwassen instituut (2010-2017)

Volledig onder TU/e vleugels

Vlak voor de zomer van 2010 besluit het CvB van Fontys om, ondanks de positieve uitkomsten van de midterm review, terug te treden uit ESoE. Duidelijk is dat onderzoek onder dat bestuur van Fontys geen prioriteit meer heeft. Het CvB van de TU/e vraagt ESoE vervolgens om een bedrijfsplan, op basis waarvan ESoE zonder cofinanciering van Fontys verder zou kunnen. Voorwaarde daarbij is een sterkere oriëntatie op de TU/e en haar onderwijs, onder meer in overleg met de opleidingsdirecteuren. Tevens zal het accent wat het onderzoek betreft veel meer op science en engineering moeten worden gelegd. Aan de hand van het bedrijfsplan wordt besloten dat ESoE per 1 januari 2011 beheersmatig volledig onder de TU/e zal vallen.

Tevens besluit het College van Bestuur dat ESoE per 1 september 2010 beheersmatig zal worden ondergebracht bij de faculteit Wiskunde en Informatica van de TU/e. ESoE blijft een zelfstandige eenheid met een eigen budget, net zoals het geval was onder Scheikundige Technologie. Tevens heeft het College van Bestuur besloten dat per 1 september mevrouw drs. Connie Cantrijn, managing director van Eurandom, deeltijds als beheerder van ESoE zal optreden.

Omdat er geen instroom vanuit Fontys naar de lerarenopleiding van de TU/e is – de vakinhoudelijke kloof die studenten moeten overbruggen is zodanig dat vrijwel geen student eraan is begonnen -  leidt het vertrek van Fontys voor het onderwijs van ESoE niet tot problemen. Wat het onderzoek betreft is er ook geen acuut probleem: de door Fontys gefinancierde promovendi kunnen gewoon hun promotietraject afronden. Op termijn zal er echter voor het continueren van onderzoek vervangende financiering gevonden moeten worden. Anders ligt dat voor onderwijsinnovatie. Nu de TU/e de exclusieve eigenaar van ESoE is geworden is het voor ESoE meer dan ooit van belang een nuttige partner binnen de TU/e te worden en dus de beschikbare expertise meer op de TU/e te richten. Daarnaast blijft  Fontys een preferente partner.

Door het vertrek van Fontys is er meer ruimte gekomen voor duurzame partnerships met derden, bijvoorbeeld partnerships in de sfeer van de onderwijsinnovatie. Deze partnerschappen zijn niet louter ad hoc gestuurd door vragen (en geld) uit het onderwijsveld, maar mede gestuurd worden door de expertise die bij ESoE aanwezig is, dan wel expertise die ESoE wil ontwikkelen. Een goed voorbeeld hiervan is de samenwerking met OMO, Ons Middelbaar Onderwijs, reeds partner in het opleiden van eerstegraads docenten. De samenwerking met OMO wordt structureel, omdat voor veel van de studenten het werkplekleren op OMO-scholen plaatsvindt. De samenwerking krijgt vorm in de Academische Opleidingsscholen, waarin docenten en studenten van ESoE onderzoek doen en daarbij begeleid worden door medewerkers van ESoE.

Op 1 oktober 2011 treedt Wim Jochems terug als hoogleraar-directeur van ESoE; Douwe Beijaard neemt het stokje van hem over.

Veranderingen binnen de TU/e en de lerarenopleiding

Het eerder overeengekomen bedrijfsplan voor de financiering van ESoE houdt te weinig rekening met fluctuaties in de in- en uitstroom van studenten en promovendi, inherent aan een kleine organisatie als ESoE. Tegen deze achtergrond wordt in 2013 besloten tot een vaste meerjarenfinanciering van ESoE. Dit kan worden beschouwd als een onderdeel van consolidatie, maar rustig is het in die periode niet.

Helaas blijft ESoE en haar medewerkers ook geen persoonlijk leed bespaard. Zo overlijdt op 1e paasdag 2014 op veel te jonge leeftijd UHD Michiel van Eijck aan de gevolgen van kanker. Ook krijgen diverse medewerkers te maken met verliezen van naasten in de directe gezinssfeer, wat soms een grote stempel drukt, ook op het werk dat ze doen.

Voldoende uitdagingen liggen in het verschiet. Veel energie wordt gestoken in de inpassing van de educatieve minor in het nieuwe Bachelor College van de TU/e. De ‘educatieve minor’ gaat vanaf dat moment bestaan uit twee keuzepakketten van elk 15 ects, die samen leiden tot een beperkte tweedegraads bevoegdheid. Daarmee heeft een blokmodel van een half jaar plaats gemaakt voor een lintmodel verspreid over meerdere bachelor-jaren. In 2014 gaat de Graduate School van de TU/e officieel van start. Deze wijziging heeft vooral voor de master SEC aanzienlijke gevolgen, onder andere voor de inhoudelijke programmering (voortaan in modules en flexibel ingericht) en verroostering van het onderwijs. Nieuwe mogelijkheden doen zich voor, waaronder het volgen van modules van de lerarenopleiding als keuzevakken binnen een andere masteropleiding. Een student die bijvoorbeeld de ‘educatieve minor’ heeft gedaan, kan via keuzevakken in zijn of haar vakmaster ook een eerstegraads bevoegdheid halen, zonder daarvoor langer te hoeven studeren.

Een van de uitdagingen voor ESoE is ook de aansluiting bij de plannen van de Lerarenagenda van OCW, operationeel met ingang van 2013. Zo wordt er aangesloten bij het zeer omvangrijke, vier jaren durend landelijk inductieproject voor de begeleiding van startende leraren (het zogenoemde BSL-project). In de eigen regio wordt dit project ingekleurd in nauwe samenwerking met collega’s van de Fontys Lerarenopleiding Tilburg (FLOT). Andere initiatieven vanuit de lerarenagenda hebben betrekking op het opzetten en begeleiden van Professionele Leergemeenschappen van zittende docenten en de zogenaamde traineeprogramma’s voor de tekortvakken: het programma Eerst de Klas (EdK) en het Onderwijstraineeship-programma (OTS). In deze niet-reguliere programma’s (enkele dagen betaald werken op school en daarnaast zelf onderwijs volgen) is door ESoE intensief geïnvesteerd. Het rendement is echter laag: in het zuiden is er in scholen te weinig ruimte voor dit type studenten zijn, waardoor jaarlijks slechts enkele van deze studenten hun onderwijs volgen bij ESoE.

Mijlpalen

Een belangrijke mijlpaal is het realiseren en formaliseren van de eerstegraads bevoegdheid voor het nieuwe schoolvak Onderzoek en Ontwerpen (O&O) in 2014. Door hierin in 3TU-verband gezamenlijk op te trekken, is voor de lerarenopleidingen van de drie technische universiteiten een belangrijke wens in vervulling gegaan. Op het ministerie van OCW is hierover veelvuldig overleg gevoerd evenals met lerarenorganisaties en de Stichting Technasium.

Een andere mijlpaal is de heraccreditatie van de master SEC in 2012. Geconcludeerd wordt dat de 3TU-lerarenopleidingen hu onderwijs op alle onderdelen op orde hebben. Ook is sprake van een duidelijke kwaliteitsverbetering. Dit is zichtbaar in de toegenomen waardering van studenten voor de lerarenopleiding van ESoE. De laatste jaren scoort deze opleiding heel hoog / als hoogste van alle universitaire lerarenopleidingen in Nederland op de NSE-enquête evenals in de keuzegids voor masteropleidingen.

In 2013 volgt de beoordeling van het onderzoek door een internationale commissie met zowel vakdidactische als algemeen onderwijskundige expertise. De waardering voor het onderzoek is op alle onderdelen zeer goed. Wel wordt aanbevolen het onderzoek meer te concentreren op het bètadomein in zowel het voorgezet (VO) als hoger (WO) onderwijs. Dit ligt ook in de rede gezien de recente geschiedenis die ESoE heeft doorgemaakt.

De ondersteuning of dienstverlening richting TU/e zelf is in de tijd gestaag toegenomen. In de beginperiode van ESoE was deze vooral ad hoc en incidenteel op verzoek. Ten tijde van de opzet en inrichting van het Bachelor College is de betrokkenheid van ESoE bij het onderwijs van de TU/e structureler van aard, bijvoorbeeld door tussentijdse evaluatie van ingezette veranderingen, zoals de invoering van tussentoetsen of het geven van aanvullende instructie naast bijvoorbeeld hoorcolleges. Ook neemt ESoE deel aan het TU/e onderwijs innovatiefonds, hetzij als aanvrager (voor het eigen onderwijs), hetzij in ondersteunende zin samen met betrokkenen uit de faculteiten. De actieve betrokkenheid van ESoE bij het onderwijs aan de TU/e blijft echter vooralsnog beperkt, mede door de grote hoeveelheid aan veranderingen in het onderwijs binnen de faculteiten van de universiteit zelf, door de invoering van achtereenvolgens het Bachelor College en de Graduate School. Een sterke impuls voor verandering in deze situatie ontstaat door de oprichting van het 4TU Center for Engineering Education (CEE) in 2013.

Perry den Brok heeft sinds de oprichting van het CEE de leiding over het TU/e deel van dit Center. Enkele jaren na de opichting van dit Center, op 1 september 2015,  neemt hij de taak van hoogleraar-directeur van ESoE over van Douwe Beijaard. In dit studiejaar neemt ook de instroom in de ‘educatieve minor’ flink toe. Tevens doen zich nieuwe ontwikkelingen voor met het oog op de toekomst van de universitaire lerarenopleidingen, die vanaf september 2017 allemaal moeten zijn omgevormd tot een twee-jarige educatieve master. Daarnaast mag de eenjarige opleiding (voorlopig) blijven bestaan. Voor EsoE verandert er nagenoeg niets, landelijk zijn de gevolgen aanzienlijk groter.

Klik hier om verder te lezen over de toekomst van ESoE